jump to navigation

Nieuwe regeling voor opsporingsbevoegdheden noodzakelijk juni 25, 2006

Posted by Coen in Forensisch Informatie Systeem.
trackback

Strafvorderlijke autoriteiten hebben een duidelijke behoefte aan gegevens van derden Discussies over de technische mogelijkheden hebben pas zin als het wettelijk kader duidelijk is, een schone taak voor onze wetgever.

In beginsel kan elk gegeven voor een strafvorderlijk onderzoek relevant zijn. In de praktijk blijken drie typen gegevens te kunnen worden onderscheiden:

  1. gegevens over het bestaan van een relatie,
  2. gegevens ter identificatie en
  3. gegevens over handelingen van en dienstverlening aan een persoon.

Vanaf de start tot het einde van het strafvorderlijk onderzoek wordt elk type gegeven vergaard. De gegevensvergaring heeft over het algemeen betrekking op gegevens die op het moment van de vordering of het verzoek al bestaan. In bepaalde gevallen wordt echter verzocht om gegevens die op het moment van het verzoek nog niet bestaan. In een enkel geval wordt gevraagd om bijzondere voorzieningen opdat toekomstige gegevens zodra zij ontstaan, direct aan de strafvorderlijke autoriteiten kunnen worden verstrekt. In de

praktijk kunnen bij elke houder gegevens gevraagd of gevorderd worden, zowel van overheden als particuliere instanties en bedrijven.

Doel van de gegevensvergaring is bijvoorbeeld om te komen tot vaststelling van de identiteit, van de geld- en goederenstroom, het vermogen, het relatienetwerk of de handel in bepaalde goederen van een persoon. Bepaalde doelen die met gegevensvergaring worden

nagestreefd, zoals bijvoorbeeld de vaststelling van een relatienetwerk of van het vermogen van een bepaald persoon, leiden in de praktijk tot verzoeken om zeer veel gegevens.

De bereidheid bij houders van gegevens om gegevens te verstrekken, verschilt afhankelijk van de moeite die men moet doen om de gegevens te kunnen verstrekken. Eenvoudig aan te leveren gegevens worden doorgaans vrij gemakkelijk verstrekt. Voor gegevens die een extra inspanning vergen, eist men vaak een wettelijk voorschrift en wil men vooraf precies weten wat men wil hebben.

Ook de voorwaarden waaronder gegevens worden verstrekt, variëren. In sommige gevallen worden gegevens informeel verstrekt, in andere gevallen wordt gevraagd om een wettelijk voorschrift op basis waarvan gegevens verstrekt moeten worden of wordt in geval van vrijwillige medewerking geëist dat het verzoek door een bepaalde strafvorderlijke autoriteit wordt gedaan.

Voor houders van gegevens is nu vaak niet duidelijk op basis van welke titel welke gegevens

gevraagd en verstrekt kunnen en mogen worden. Dit heeft rechtsonzekerheid tot gevolg. Ook kan dit leiden tot extra administratieve lasten. Houders van gegevens worden geconfronteerd met een toenemend aantal vragen van strafvorderlijke autoriteiten om gegevens te verstrekken. Daarbij geldt dat de aandacht van de strafvorderlijke autoriteiten zich met name richt op bepaalde houders van gegevens.

Houders van gegevens willen gevrijwaard zijn van elke vorm van aansprakelijkheid voor door hen verstrekte gegevens. Houders van gegevens stellen zich op het standpunt dat alle kosten die gemaakt worden voor de verstrekking van gegevens aan strafvorderlijke autoriteiten doorberekend zouden moeten kunnen worden. Houders van gegevens geven verder aan dat zij behoefte hebben aan een toets of terecht en op de juiste gronden een verzoek of vordering om gegevens is gedaan en of het verzoek proportioneel is.

Door strafvorderlijke autoriteiten wordt het verstrekken van vertrouwelijke informatie uit het

strafvorderlijk onderzoek aan een derde als een probleem wordt gezien. De strafvorderlijke

autoriteiten lijken pragmatisch om te gaan met de mogelijkheden voor strafvorderlijke

gegevensvergaring die hen ter beschikking staan.

Gegevensvergaring ten behoeve van strafvorderlijke onderzoek is onmisbaar. In beginsel dienen aan de strafvorderlijke autoriteiten bevoegdheden ter beschikking te staan die ruimte bieden voor het vergaren van gegevens. Het normatieve kader voor de vormgeving en afgrenzing van deze strafvorderlijke bevoegdheden wordt bepaald door onder andere artikel 1 van het Wetboek van Strafvordering, enkele grondrechten in hoofdstuk 1 van de Grondwet en het EVRM, en andere internationale normen.

Artikel 1 Sv

Artikel 1 van het Wetboek van Strafvordering omschrijft het legaliteitsbeginsel voor de strafvordering: strafvordering heeft alleen plaats op de wijze bij de wet voorzien. Dit houdt in dat strafvorderlijke bevoegdheden, in het bijzonder die welke een inbreuk kunnen maken op vrijheden of grondrechten van burgers, een basis dienen te hebben in de wet in formele zin. Deze basis dient als grondslag voor bevoegdheidstoepassing en als waarborg tegen willekeurig overheidsoptreden. Dit legaliteitsbeginsel is ook neergelegd in de in hoofdstuk 1van de Grondwet opgenomen grondrechten. Art. 1 Sv stelt ook inhoudelijke eisen. Zeker in geval van ernstige inbreuken op grondrechten van burgers dienen

strafvorderlijke bevoegdheden concreet te zijn geformuleerd (zie ook hierna bij art. 8 EVRM). In het algemeen wordt aangenomen dat de kern van strafvorderlijke bevoegdheden in een wet in formele zin moet zijn geformuleerd. In de uitwerking van strafvorderlijke bepalingen komt regelgeving op het niveau van lagere wetgeving voor.

Grondrechten

Het grondrecht dat bij de strafvorderlijke gegevensvergaring in het geding kan zijn, is het recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer. Voor de vraag of, en zo ja onder welke voorwaarden strafvorderlijke gegevensvergaring een inbreuk mag maken op het grondrecht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer van de persoon op wie de gegevens betrekking hebben, bieden artikel 10 van de Grondwet en artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) een bindend toetsingskader. Ik neem dit toetsingskader als uitgangspunt, ook voor zover de gegevensvergaring waarop zij zich richt geen inbreuk maakt op het grondrecht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer. Ingevolge artikel 10 van de Grondwet

dient een beperking van het grondrecht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer een basis te hebben in een wet in formele zin. Een regeling in het Wetboek van Strafvordering voldoet aan die eis.

Ingevolge artikel 8, tweede lid, van het EVRM is beperking van het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer alleen toegestaan voor zover daarin “bij de wet is voorzien” en dit “in een democratische samenleving noodzakelijk is” in het belang van enkele met name genoemde doelen, waaronder het voorkomen van strafbare feiten. Onder het doelcriterium “het voorkomen van strafbare feiten”, is de strafvorderlijke afwikkeling van strafbare feiten, waaronder de opsporing daarvan, begrepen. Bij de eis dat inmenging in het privacyrecht noodzakelijk moet zijn in een democratische samenleving geldt een eigen beoordelingsruimte voor de nationale overheid. Deze eis van noodzakelijkheid houdt enerzijds in dat bezien moet worden of de voorgestelde bevoegdheid nodig is voor de strafrechtelijke handhaving en anderzijds dat in een concreet geval van toepassing een afweging plaatsvindt van het belang van eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer en het belang van de strafvordering. Daarbij gaat het om een toetsing aan de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit.

Naast dit algemene kader stellen het artikel 8 EVRM en de daarop gebaseerde jurisprudentie

ook eisen aan de kwaliteit van de wettelijk regeling. Deze houden in dat de regeling voor de burger voldoende toegankelijk en voorzienbaar moet zijn. Indien de regeling is gebaseerd op een wet in formele zin, zoals artikel 10 van de Grondwet verlangt, is voldaan aan deze eis. De eis van voorzienbaarheid brengt daarnaast met zich mee dat de regeling voldoende precies moet zijn geformuleerd, zodat de burger vooraf kan weten onder welke omstandigheden en voorwaarden de bevoegdheid mag worden toegepast. De regeling moet bovendien waarborgen bieden tegen willekeurige inmenging van de overheid in het persoonlijke leven van de burger en tegen misbruik van bevoegdheid. Deze eis weegt zwaarder naarmate een bevoegdheid meer ingrijpend is en heimelijk kan worden toegepast. Dit betekent dat de wet de gevallen en gronden moet omschrijven waarin en waartoe de bevoegdheid kan worden toegepast en dat de reikwijdte van de bevoegdheid helder is.

Ook de aanwijzing van de bevoegde autoriteit en voorzieningen voor transparantie en controleerbaarheid, zoals voorschriften voor motivering, verbalisering en verslaglegging zijn van belang. Ik ben van mening dat voorgaande eisen aan de wettelijke regeling met zich meebrengen dat een vrij gedetailleerde regeling nodig is, zij het dat artikel 8 EVRM niet, zoals art. 1 Sv, verlangt dat de regeling is opgenomen in een wet in formele zin.

Een ander relevant grondrecht is het brief- en telefoongeheim dat beschermd wordt door artikel 13 van de Grondwet. Ik ga ervanuit dat artikel 13 vertrouwelijke communicatie in de

vorm van het verzenden van brieven of gebruik van telecommunicatie beschermt, voor de duur dat deze door de afzender uit handen is gegeven aan een dienstverlener die het transport verzorgt. Bij de vergaring van gegevens die onderwerp uitmaken van vertrouwelijke communicatie bij deze dienstverleners, dient derhalve rekening te worden gehouden met artikel 13 van de Grondwet. Artikel 13 bepaalt dat het briefgeheim onschendbaar is, behalve in de gevallen bij de wet bepaald, op last van de rechter, en dat het telefoon- en telegraafgeheim onschendbaar is, behalve in de gevallen bij de wet bepaald door of met machtiging van hen die daartoe bij de wet zijn aangewezen. Dit betekent dat de

vergaring van gegevens die onderwerp uitmaken van vertrouwelijke communicatie bij genoemde dienstverleners, in een wet in formele zin moet zijn geregeld en dat daartoe machtiging nodig is van de aangewezen autoriteit en, indien het brieven betreft, machtiging van de rechter.

Tot slot zijn het grondrecht op een eerlijk proces (art. 6 EVRM) en het grondrecht op

beoordeling door een rechterlijke instantie (art. 13 EVRM) voor het normatieve kader van belang.

Artikel 6 EVRM is voor de vormgeving van strafvorderlijke bevoegdheden van betekenis, in zoverre dat het in het artikel neergelegde recht op een eerlijk proces mede inhoudt dat de verdachte het recht heeft de resultaten – in het bijzonder die welke bijdragen aan het bewijs – die door toepassing van strafvorderlijke bevoegdheden zijn verkregen te onderzoeken en te betwisten. Dit impliceert dat de verdachte kennis moet kunnen nemen van zowel het materiaal dat ten gunste als het materiaal dat ten nadele van hem gebruikt kan worden. Dit is reeds het uitgangspunt in de staande jurisprudentie en in het Wetboek van Strafvordering. Artikel 13 EVRM geeft een ieder van wie een in het EVRM neergelegd grondrecht is

geschonden, recht op beoordeling door een rechterlijke instantie. In bepaalde opzichten kan met dit uitgangspunt rekening worden gehouden bij de vormgeving van nieuwe bevoegdheden.

Gegevensvergaring ten behoeve van strafvorderlijke onderzoek is onmisbaar en een eigen zelfstandige regeling is noodzakelijk. Het normatieve kader voor de vormgeving en

afgrenzing van strafvorderlijke bevoegdheden wordt aangereikt door artikel 1 Wetboek van

Strafvordering, door hoofdstuk 1 van de Grondwet, door enkele artikelen in het EVRM.

Strafvorderlijke vergaring van gegevens is in beginsel toegestaan, ook indien sprake is van

aanwending van gegevens voor een ander doel dan waarvoor de gegevens zijn vergaard en ook indien dit leidt tot een inbreuk op het grondrecht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer, mits steunend op de wet, noodzakelijk in het belang van de strafvordering en voorzien van passende waarborgen. De wettelijke regeling moet voldoen aan eisen van toegankelijkheid en voorzienbaarheid en waarborgen bevatten tegen willekeur.

Het precies trekken van grenzen is echter uiterst moeilijk en sterk afhankelijk van de

waardering van de onderscheiden belangen van opsporingsinstanties.

Advertenties

Reacties»

No comments yet — be the first.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: